Een meewerkend voorwerp (mv) is een zinsdeel waarop de door het gezegde en het lijdend voorwerp uitgedrukte werking gericht is. Het beantwoordt de vraag aan wie/voor wie + gezegde + onderwerp (+ lijdend voorwerp)?.
Voorbeelden:
- Ik geef mijn broer een cadeau. (Aan wie geef ik een cadeau? Mijn broer)
- De leraar leest de leerlingen een verhaal voor. (Voor wie leest de leraar een verhaal voor? De leerlingen)
- Ze haar man een kop koffie gebracht. (Aan wie heeft ze een kop koffie gebracht? Haar man)
Belangrijke kenmerken:
- Het meewerkend voorwerp is meestal een levend wezen of een instantie, maar in sommige gevallen kan ook een ding of iets abstracts meewerkend voorwerp zijn: “Zij heeft de kast een lik verf gegeven”, “Zij geven prioriteit aan samenwerking.”
- In de regel staat het meewerkend voorwerp voor het lijdend voorwerp. Als het lijdend voorwerp het (of ‘t) is, staat het meewerkend voorwerp altijd achter het lijdend voorwerp.
- Het voorzetsel “aan” of “voor” kan bijna altijd worden weggelaten of toegevoegd bij het meewerkend voorwerp: “Ik heb aan mijn man het nieuws verteld.” “Ik heb het nieuws aan mijn man verteld.”
Tips om het meewerkend voorwerp te vinden:
- Stel de vraag aan wie/voor wie + gezegde + onderwerp (+ lijdend voorwerp)?.
- Kijk of je de zin kunt omzetten naar een zin met “geven” of “maken”. Als dat kan, is het zinsdeel na “geven” of “maken” meestal het meewerkend voorwerp.
Meer informatie:
